welzijn
cultuur
natuur & milieu
gezondheid
rampen
ontwikkelingshulp
religie
onderwijs
redactie
over deze site

“Je wordt als goed doel vaak niet gestraft voor slecht beleid”

door Ronald Huissen
02/09/2011 11:34

Een goed doel nastreven is niet vanzelfsprekend ook goed bezig zijn. Onderzoeker Kellie Liket van de Erasmus Universiteit ontwierp een model dat goede doelen langs de organisatorische meetlat legt en ontdekte veel tekortkomingen: “Het is vaak veel passie en idealisme en weinig aandacht voor bedrijfsstrategische effectiviteit.”

“Is het doel dat we nastreven haalbaar?” “Valt het jaarverslag op de website te raadplegen?” “Is de identiteit van bestuursleden openbaar?” Vragen die overbodig lijken bij een willekeurige multinational, maar veel goede doelen in Nederland niet vanzelfsprekend met “ja” kunnen beantwoorden. Een oorzaak van ondermaatse prestaties en voer voor scepsis.

Kellie Liket, onderzoeker bij het Erasmus Centrum voor Strategische Filantropie, ontwikkelde een model waarmee goede doelen kunnen worden getest op hun doelmatigheid. Aan de hand van 26 criteria wordt beoordeeld hoe effectief de opzet van een organisatie is. Het model bestaat uit de pijlers Transparantie, Organisatie en Activiteit; hoe open en controleerbaar gaat een goed doel te werk, deugt de structuur van de organisatie en hoe effectief zijn projecten opgezet?

Liket: “Normaalgesproken worden goede doelen beoordeeld op welk percentage van het geld naar het eigenlijke doel gaat of op het salaris van de directeur, terwijl dit in werkelijkheid weinig vertelt over hoeveel impact het werk van een organisatie heeft. Met dit model wilde ik echt naar processen binnen de organisatie kijken om te voorspellen hoe effectief goede doelen hun missie nastreven.”

Onderzoeker Kellie Liket van de Erasmus Universiteit

Onderzoeker Kellie Liket is naar aanleiding van haar onderzoek "teleurgesteld" in de score van goede doelen.

Na een proef vorig jaar met vijftig deelnemende organisaties, werden dit jaar ruim 1000 Nederlandse goede doelen onder de loep gelegd. De eerste resultaten, die in juli uit de bus kwamen rollen, verrasten Liket onaangenaam. In Trouw en Elsevier gaf ze aan “teleurgesteld” te zijn. “Als je als goed doel niet eens goed weet waar je eigenlijk voor bestaat, niet voldoet aan wettelijke eisen voor een goed bestuur of niet eens je jaarverslag op je website hebt staan – toch een hele simpele eis – dan stelt me dat inderdaad erg teleur.”

“Ben ik wel nodig?”
Op drie terreinen schieten goede doelen opvallend vaak tekort. Allereerst worden hulpbehoevenden nauwelijks betrokken bij projecten. “Feedback van degenen die je helpt, is essentieel voor het boeken van resultaten. Dit blijkt uit vele studies op dit gebied, maar is verre van vanzelfsprekend bij goede doelen. Als men bijvoorbeeld in het kader van ontwikkelingshulp een school bouwt, is het een gewoonte om alleen met de directeur en leerkrachten te overleggen. Naar de mening van de leerlingen of de ouders vragen komt zelden aan de orde.”

Daarnaast wordt er over het algemeen ondermaats samengewerkt tussen organisaties onderling. “Goede doelen weten vaak nauwelijks welke andere partijen er op hetzelfde gebied actief zijn en of er daarmee geconcurreerd wordt. De essentiële vraag ‘Ben ik wel nodig?’ wordt veel te weinig gesteld.” Verder komt het vaak voor dat goede doelen onrealistische projecten beginnen. Liket: “Het komt zeer weinig voor dat organisaties een risico-analyse uitvoeren voor de projecten die ze plannen.”

Een deel van de negatieve resultaten valt volgens Liket te verklaren door het grote aantal zeer kleinschalige goede doelen. “Bij goede doelen denken de meeste mensen aan ongeveer honderd stuks, terwijl het er in Nederland zo’n vijfduizend zijn. Er zijn enorm veel verschillende initiatieven, waarvan ook veel persoonlijke kleinschalige die organisatorisch vaak tekort schieten. Echter, het model is zo opgesteld dat er niet gediscrimineerd wordt op basis van grootte. We hebben er expres nog een aantal criteria uitgehaald die moeilijk waren voor kleine organisaties om aan te voldoen.”

“De belangrijkste reden is dat je als goed doel vaak niet gestraft wordt voor slecht beleid, zoals dat bij commerciële bedrijven wel het geval is. Het is vaak veel passie en idealisme en weinig aandacht voor bedrijfsstrategische effectiviteit. Als je marketing goed is, ben je al een heel eind op weg om donateurs te verwerven.”

“Dit kun je toch niet allemaal eisen?”
De reacties onder de goede doelen zijn verdeeld, vertelt Liket: “Ongeveer een kwart van de organisaties is heel enthousiast en is blij dat deze criteria eens op een rijtje zijn gezet. Een even groot deel ziet in het voldoen aan de eisen een mooie gelegenheid om de reputatie op te krikken.” Het grootste deel, vooral kleine organisaties, reageert echter verongelijkt. Liket: “Dan krijg je te horen: ‘Dit kun je toch niet allemaal eisen? We zijn een kleine organisatie en we hebben bij lange na de capaciteit niet om aan al die criteria te voldoen’. In de Top 50 Goede Doelen die Dagblad Trouw vorig jaar naar aanleiding van de pilot uit 2010 opstelde, staan echter opvallend veel kleine organisaties, vertelt Liket. “Je hoeft niet perse een grote NGO te zijn om je zaken op orde te hebben.”

Desondanks ziet Liket al sinds de pilot van vorig jaar veel verbeteringen. “We hebben volop telefoontjes gekregen met vraag om advies en er zijn een aantal organisaties hard aan de slag gegaan om aan meer criteria te voldoen. Dat zul je ook zien wanneer Trouw dit jaar weer de Top 50 Goede Doelen publiceert op basis van het onderzoek. Een aantal goede doelen is flink omhoog geklommen in de lijst.”

In de eerste week van november publiceert Trouw haar Goede Doelen Top 50 op basis van Likets onderzoek en begin 2012 worden de uiteindelijke resultaten van het onderzoek van Erasmus gepubliceerd.



Tags: , , ,


Geen reacties mogelijk.